Welkom

Algemeen

Deze site

Webmaster

Doelstelling

Activiteiten

Support

E-mail

 

Labyrintvissen

Album

Waarom labyrintvissen

Soortbeschrijvingen

Soorten Behoud
Programma

Artikelen

Forum

Links

Verenigingen

Labyrintvissen

Linksites

Overig

Deze website

Map

FAQ


Parosphromenus paludicola

Tekst: Charles Drew (H&DAS) ©
Vertaling: Eric Naus

 

 
 
 
Parosphromenus paludicola. Foto: J. Schmidt.
 

 

Deze kleine prachtgouramie soort komt uit het oosten van het Maleisisch schiereiland, en ten noorden van zuid Thailand, waar hij te vinden is in langzaam stromende riviertjes en moerassen. Met amper 3 cm lang is het een verlegen kleine grotbroeder, die zacht zuur water prefereert.

Ik kreeg deze vissen in September 1999 op een veiling van de Canadese Killivissen conventie. Ze waren meegenomen door een van onze gast sprekers, Allan Brown, een hobbyist en verzamelaar uit het Verenigd Koninkrijk, naar wie een Parosphromenus soort (P. allani) naar hem genoemd is, en een Betta soort (B. brownorum) naar hem en zijn vrouw. De vissen waren nog jong en onvolwassen, en erg gestresst toen ik ze meenam naar huis, maar ik plaatste ze in een aquarium met zacht, zuur water, dat ik had klaargezet voor als ik een aantal killivissen gekocht zou hebben. Ik was verheugd en verbaasd de volgende ochtend dat alle vijf de vissen nog in leven waren.

Een aantal maanden gingen voorbij, en de vissen groeiden en werden volwassen. Er werd gevoerd met levende Artemia nauplien, en soms met enchytraën. Toen op een dag merkte ik een vis op die een schuimnest verdedigde in een 8 cm lang stuk plastic pijp met een doorsnede van 2 cm. Alle andere vissen in de bak werden in een andere bak overgezet. Twee dagen later begon hij echter "raar" te doen en stierf.

Vervolgens deed ik wat onderzoek, en ik ontdekte dat het water waar ze in de natuur in leven zo zuur is als pH 5.5, en zo zacht als een graad hardheid. Ook leerde ik dat ze het best paarsgewijs gehouden worden. De vissen sexen is niet makkelijk, alhoewel er gezegd word dat de mannetjes langere ventrale vinnen hebben. Ik nam de gok en splitste de overgebleven vier vissen in twee paartjes, elk paar in hun eigen 10 liter bakje, met een sponsfilter en plastic buizen om zich in te verschuilen en in te paren. De bakjes stonden op de bovenste planken, bij 26,6 graden Celsius, en kregen alleen kamerlicht. Een week ging voorbij en toen op een dag bleek een vis een schuimnest ter grootte van een kwartje te bewaken. Een paar dagen later kon ik met behulp van een zaklamp saartjes zien hangen. No eens 5 dagen later verlieten de jongen, ongeveer vijftien stuks, de pijp. De ouders werden naar een ander bakje verhuisd, en herhaalden de voorstelling, ditmaal ten minste twintig jongen. Als ik dit schrijf hebben ze inmiddels voor de vierde keer gepaard. Het andere paartje houd zich afzijdig, en hebben een platonische relatie.

De jongen zijn ongeveer drie millimeter lang en eten meteen levende Artemia nauplien en microwormen. Het lijkt erop dat ze makkelijk op te kweken zijn zolang het water schoon gehouden word, en van een goede kwaliteit is. Deze vissen waren een mooie vondst, en zijn een goede uitdaging voor de ervaren aquariaan.