Welkom

Algemeen

Deze site

Webmaster

Doelstelling

Activiteiten

Support

E-mail

 

Labyrintvissen

Album

Waarom labyrintvissen

Soortbeschrijvingen

Soorten Behoud
Programma

Artikelen

Forum

Links

Verenigingen

Labyrintvissen

Linksites

Overig

Deze website

Map

FAQ


Parasphaerichthys lineatus

Een geheel andere chocolade gourami

 

Tekst en foto's: Jörg Freyhof ©
Vertaling: Geert van Hoek

 

 
 
 
Een mannetje in baltskleur
 

 

Sphaerichthys, Parasphaerichthys, Ctenops en Luciocephalus vormen een verwante groep onder de labyrintvissen. Weliswaar worden af en toe soorten van deze groep geïmporteerd, toch blijven ze op grond van de hoge aanspraak van de waterkwaliteit aan de specialisten voorbehouden.

De chocolade gourami, Sphaerichthys osphromenoides, gold in mijn schooltijd als extreem moeilijk en amper te kweken. Naar veel inspanning en mislukkingen, had ik in alleen gedestilleerd water en bij zeer geringe pH-waarde deze soort vermeerderd. Weinige jaren later zijn de door mij lang en vurig gezochte Luciocephalus pulcher, midden in de baltsfase aan een infectie gestorven, die ik waarschijnlijk met visvoer meegenomen had. Weer een jaar later kon ik de nieuw ingevoerde Ctenops nobilis niet weerstaan. Ze hadden bij mij geen geluk, maar zijn snel aan, wat later bleek, een meegebrachte parasiet gestorven. Daarna had ik de buik vol van deze visgroep. Als in 2001, meer dan tien jaar na mijn negatieve ervaringen, Parasphaerichthys ocellatus geïmporteerd word, beschrijft Frank Schäffer van Aquarium Glaser mij de dieren als goed gewende en oprecht taaie vissen. Parasphaerichthys is een mysterieuze vis. Er zijn zeer weinig exemplaren überhaupt bekent, en hij gaf me zijn enigste foto over deze geheimzinnige soort. Ik kon niet weerstaan de dieren tenminste eenmaal een korte tijd te verzorgen. Tenminste wilde ik de DATZ lezers voorstellen en kort beschrijven, dat de soort geïmporteerd en bij mij met trots intensieve verzorg toch gestorven is, om te zeggen als waarschuwend voorbeeld. Maar het zou anders gaan. In juni 2001 hield ik enthousiast de zak in mijn hand, waarin mijn Parasphaerichthys zwemmen. De vissen waren nog geen 20 mm lang en bleken kleine, jonge dieren zijn. Wie ben ik dan in de korte tijd, dat ik deze gourami in leven houden kan, een foto van een hafwas exemplaar maken? Gedemotiveerd bracht ik de vissen in een kleine bak onder. Ze namen gelijk klein slootvoer op en aten zelfs droogvoer. En ze sterven niet! Ik had daadwerkelijk met hun snelle dood rekening gehouden, dat hun overleven me voor een ernstig probleem stelde. In juli en augustus was ik, met onderbrekingen, langere tijd beroepshalve onderweg. Daarom plaatste ik de dieren alleen in een aquarium van 100 cm lang, 50 cm diep en 30 cm hoog met een dik kussen javamos, met hard (18 dGH) en basische (pH 7,8) Berlijnse leidingwater en een reuze portie slootvoer. Daar het voer niet in de filter mocht belanden, sloot ik die resoluut af. Een zwakke beluchting zou voor zes kleine vissen in 150 L water toerijkend zijn. Mijn vrouw voerde met fijn droogvoer, wat de kleine gourami's weliswaar gegeten hadden, doch meestal levend voer, daarvan was ik overtuigd, was dat geen toekomst voor de vissen. Als ik na vijf weken weer in het aquarium kijk, was ik verrast. De gourami's leefde nog. Maar ze waren hoogwaarschijnlijk ondervoed, omdat ze niet gegroeid waren. Omdat ik voor een paar dagen in Berlijn was, voerde ik de dieren rijkelijk en brak een andere tijd aan.. Eind augustus leefde ze nog maar ze waren nog steeds niet gegroeid. Wat zou ik nu met de blijkbaar verkreupelde vissen doen? Een tekort aan tijd verdoezelde deze beslist, en op een avond bemerkte ik plotseling, dat er iets niet klopte. Parasphaerichthys ocellatus word ongeveer 30 mm lang. Ofschoon mijn vissen met 17 mm halfwas zouden zijn, waren bij drie dieren eenduidig de grote, spits naar achteren wijzende gonaden te erkennen, wat voor vele labyrintvissen typisch is. Ik had duidelijk geslachtsrijpe vrouwtjes voor me! Na het vergelijken van mijn exemplaren met afbeeldingen, en de mij meer bekende foto van Foersch bemerkte ik, dat het niet zeker om Parasphaerichthys ocellatus gaat, maar om een dwergachtige soort. Een korte tijd later kwam de volgende verrassing. Drie van de overwegend bruine vissen kleurde oranje met donkere vinnen en een donkerbruine kop. Voor het diepgroene javamos een heerlijke aanblik. In het aquarium hadden de drie mannen gelijk een gebied bezet en probeerde een der vrouwen te lokken. Daarvoor hadden ze zich kompleet omgekleurd. Ze vertoonde hoogstwaarschijnlijk hun baltskleuren. Dan wanneer er twee elkaar tegenkomen, kleurde ze zich donkerbruin en discussieerde over hun territoriumgrens. Terug in hun eigen gebied, laat de aanwezigheid van een vrouwtje de mannen gelijk weer oranje kleuren.

 
 
 
Een kuitrijp vrouwtje
 

Schuimnestbouwer.
De vrouwen waren in de gebeurtenissen niet geïnteresseerd, maar ik des te meer. Wanneer labyrinten kuit aanzetten en baltsen, leggen ze normaalgesproken ook eieren. Omdat een vrouwtje duidelijk kuitaanzet had en bij het verschijnen van een man meteen zo schitterde, verwachte ik dadelijke, dat de dieren afzette. Alle labyrinten van Sphaerichthys zijn muilbroeders, meeste in het mannelijke geslacht. Daarom nam ik aan, dat mijn Parasphaerichthys ook zo zouden voortplanten. Dus, de volgende avond rijkelijk met slootvoer gevoerd en de mannen controleren, op een broedsel, en de dikke vrouwe zoeken en bekijken, of dat ze nog dik is. Niets gebeurd. De mannen baltste en de vrouw werd hoe langer hoe dikker, tot ze aan kuitverharding stierf. Een vriend raadde me aan het een keer met zacht water te proberen. Een andere vriend had me zijn osmose apparaat uitgeleend. En zo volgde, emmer voor emmer, een week lang het zover schoongemaakte aquarium met osmose water gevuld werd. Wat javamos, een paar steenplaten, twee handel vol gekookte eikenblad uit mijn waterton en een luchtsteentje volmaakte de inrichting. Drie dagen laten lopen, En ik zette de Parasphaerichthys terug. Dan hoorde ik, dat deze soort bij een andere aquariaan en zacht en zuur water snel gestorven is. Dus nam ik me voor, de vissen in zacht water te doen, maar de pH niet onder de 7 te brengen. Een ander vrouwtje nam in buikpartij toe en liet het mannetje glinsteren. Na een paar dagen kom ik bekijken, hoe dit vrouwtje snel eenkleurig donkerbruin omkleurde. Ze hield zich dicht in de buurt van een mannetje op. Dan zwom het vrouwtje weer snel weg, toen drukte hij tegen haar buik aan en zwom vlug met een pendelende beweging naar de bodem. Zo lukte het, het vrouwtje onder een eikenblad te lokken. Maar ergens schijnt het niet te slagen. Meestal verdwijnt het mannetje zo snel, dat het vrouwtje niet weet waarheen, of ze kwamen beide binnen de minuut weer tevoorschijn. Urenlang zat ik voor het aquarium, en niets gebeurde. De volgende avond was er geen oranje gekleurde man, en het vrouwtje had duidelijk massa verloren. Ze had ongetwijfeld afgezet, maar geen van de mannen had een dikke keel. Wat was er gebeurd?

 
 
 
Het schuimnest van Parasphaerichthys lineatus
 

Toen ik deze Parasphaerichthys in het aquarium gezet had, had ik het buitenfilter afgezet, om het voer niet op te zuigen. De filterslang had ik natuurlijk niet verwijderd, en de uitstromer kwam kort onder het wateroppervlakte uit. Het mannetje, dat op de vooravond met het vrouwtje gebaltst had, was ongewoon onverdraagzaam tegenover de andere dieren en schoot regelmatig in de filterslang. Snel was de bak afgedekt en de filterslang over een fijn schepnet gelegd. Voor de dag kwam een schuimnest met ongeveer 70 mooie witte eieren, die duidelijk goed waren. De eieren ontwikkelde zich in een petrischaal, en de larven kwamen vrij na drie dagen met 25 graden. Ze waren ongeveer drie mm lang hingen met hun koppen omhoog. Na twee dagen hadden ze hun dooiervoorraad opgebruikt en deden zich tegoed aan infusoriën. Deze vermeerderen zich door middel van wat stro in een bak met aquariumwater te hangen. Na tien dagen waren ze zover dat ze vers gekweekte Artemia pakte, en ze dat bij de verdere opkweek verslinde.

Kuit gedrag.
Toen drie dagen verder legde het tweede vrouwtje, en weer een week verder het eerste vrouwtje weer. Het bleek al snel, dat de vrouwen ongeveer elke vijf tot tien dagen afzetten. De mannen bouwen hun nest in gebladerte, dat op de bodem licht, of plakt het vast aan schuinstaande steenplaten, die tegen een aquariumwand steunen. Het afzetten kon ik niet waarnemen. Interessant genoeg baltsen de dieren altijd tegen de bodem, zo dat waarschijnlijk de man het legsel naar het schuimnest brengt. Ralf Britz kon tweemaal het afzetten 's avonds waarnemen, en beschrijft dat als volgt: De eieren liggen op de bodem, meestal neemt de man ze in de muil, zwemt onder een filterspons en stopt ze diep in de poriën en groeven van het filter. De vrouw komt hier ook af en toe bij. Bij deze afzetting schijnt ze niet bij het transport te helpen.Daarna heb ik ook de afzetting gezien. Vooraf en nadien zijn er verschillende schijnafzettingen, die op dezelfde manier gaan als bij de daadwerkelijke eiafzetting. Bij mij was altijd het vrouwtje wat aandrong, misschien omdat ze vol eieren zat, die ze zo snel mogelijk kwijt wilde. Het was ook het vrouwtje, dat andere soortgenoten van de afzetplaats verdrijft.

 
 
 
Een Parasphaerichthys lineatus jong
 

Het afzetten gebeurde in een gereduceerde omstrengeling, zoals die ook bij Sphaerichthys en Luciocephalus beschreven worden. De vrouw is tijdens de afzetting niet omgedraaid en blijft in een kompleet normale houding. Ze draait zich dus in de opgedraaide lichaam van het mannetje naar binnen, zo dat ze met zijn tweeën de vereiste U vormen. De eieren (en zo ook de sperma) worden in deze houding afgegeven liggen dan op de bodem op een hoopje. Beide ouderdieren zwemmen daarna na het oppervlakte om lucht te happen. Ik heb deze mogelijkheid benut om de eieren op te zuigen en nader te onderzoeken. Het waren totaal 42 stuks, met een doorsnede van 1,1 tot 1,3 mm. Ze waren niet exact rond, maar een beetje ovaal. De tweede maal kwam ik net te laat. De dieren hadden al afgezet, en het nest was al onder een steen boven de bodem geplaatst. Daarvoor werden de eieren door het mannetje en vrouwtje gedragen, en met bellen en speeksel omgeven en aan de steen geplakt. Een van de volgende broedsels liet ik bij het mannetje. Hij nam de larven niet in de bek, en verlaten na het vrijzwemmen het nest. Enige jonge dieren overleven het ook in het kweekaquarium. Zodoende ontdekte ik verschillende leeftijdsgroepen in het javamos. Ze groeien relatief snel, en na vier maanden zijn ze ongeveer zo groot als de ouders. Bovendien schijnt de soort kort te leven, want een van de vrouwtjes krijgt al tekeningen van de ouderdom. Daarmee is deze Parasphaerichthys voor mij de opmerkelijkste vis van het jaar 2001. Het handelt hier hoogwaarschijnlijk om een onbeschreven soort, die met nog geen twee centimeter knap klein blijft. Het is de enige bekende vertegenwoordiger van de groep de een schuimnest bouwt, en kan daarmee aan de basis van deze labyrintvisgroep staan. Zodoende is hij in hard en zacht water te houden, heeft geen problemen met wekenlang droogvoeder en laat zich tenminste in zacht water nakweken. Met zijn schitterende kleur en de interessante, snelle kleurveranderingen is het een aansprekende aquariumvis. Men kan de soort ook met andere vredelievende dwergvissen houden. Zeker laten de dieren zich in kleine aquaria verzorgen en misschien ook in hart water kweken. En ze leven niet zolang - 1 jaar hooguit - zodat men met zijn ontwikkeling en kweek haast heeft. Wanneer het niet veranderd en ontwikkeld, is het ook niet zo spannend. Wat wil men meer?