|
Sphaerichthys,
Parasphaerichthys, Ctenops en Luciocephalus
vormen een verwante groep onder de labyrintvissen. Weliswaar worden
af en toe soorten van deze groep geïmporteerd, toch blijven
ze op grond van de hoge aanspraak van de waterkwaliteit aan de
specialisten voorbehouden.
De
chocolade gourami, Sphaerichthys osphromenoides, gold in
mijn schooltijd als extreem moeilijk en amper te kweken. Naar
veel inspanning en mislukkingen, had ik in alleen gedestilleerd
water en bij zeer geringe pH-waarde deze soort vermeerderd. Weinige
jaren later zijn de door mij lang en vurig gezochte Luciocephalus
pulcher, midden in de baltsfase aan een infectie gestorven,
die ik waarschijnlijk met visvoer meegenomen had. Weer een jaar
later kon ik de nieuw ingevoerde Ctenops nobilis niet weerstaan.
Ze hadden bij mij geen geluk, maar zijn snel aan, wat later bleek,
een meegebrachte parasiet gestorven. Daarna had ik de buik vol
van deze visgroep. Als in 2001, meer dan tien jaar na mijn negatieve
ervaringen, Parasphaerichthys ocellatus geïmporteerd
word, beschrijft Frank Schäffer van Aquarium Glaser mij de
dieren als goed gewende en oprecht taaie vissen. Parasphaerichthys
is een mysterieuze vis. Er zijn zeer weinig exemplaren überhaupt
bekent, en hij gaf me zijn enigste foto over deze geheimzinnige
soort. Ik kon niet weerstaan de dieren tenminste eenmaal een korte
tijd te verzorgen. Tenminste wilde ik de DATZ lezers voorstellen
en kort beschrijven, dat de soort geïmporteerd en bij mij
met trots intensieve verzorg toch gestorven is, om te zeggen als
waarschuwend voorbeeld. Maar het zou anders gaan. In juni 2001
hield ik enthousiast de zak in mijn hand, waarin mijn Parasphaerichthys
zwemmen. De vissen waren nog geen 20 mm lang en bleken kleine,
jonge dieren zijn. Wie ben ik dan in de korte tijd, dat ik deze
gourami in leven houden kan, een foto van een hafwas exemplaar
maken? Gedemotiveerd bracht ik de vissen in een kleine bak onder.
Ze namen gelijk klein slootvoer op en aten zelfs droogvoer. En
ze sterven niet! Ik had daadwerkelijk met hun snelle dood rekening
gehouden, dat hun overleven me voor een ernstig probleem stelde.
In juli en augustus was ik, met onderbrekingen, langere tijd beroepshalve
onderweg. Daarom plaatste ik de dieren alleen in een aquarium
van 100 cm lang, 50 cm diep en 30 cm hoog met een dik kussen javamos,
met hard (18 dGH) en basische (pH 7,8) Berlijnse leidingwater
en een reuze portie slootvoer. Daar het voer niet in de filter
mocht belanden, sloot ik die resoluut af. Een zwakke beluchting
zou voor zes kleine vissen in 150 L water toerijkend zijn. Mijn
vrouw voerde met fijn droogvoer, wat de kleine gourami's weliswaar
gegeten hadden, doch meestal levend voer, daarvan was ik overtuigd,
was dat geen toekomst voor de vissen. Als ik na vijf weken weer
in het aquarium kijk, was ik verrast. De gourami's leefde nog.
Maar ze waren hoogwaarschijnlijk ondervoed, omdat ze niet gegroeid
waren. Omdat ik voor een paar dagen in Berlijn was, voerde ik
de dieren rijkelijk en brak een andere tijd aan.. Eind augustus
leefde ze nog maar ze waren nog steeds niet gegroeid. Wat zou
ik nu met de blijkbaar verkreupelde vissen doen? Een tekort aan
tijd verdoezelde deze beslist, en op een avond bemerkte ik plotseling,
dat er iets niet klopte. Parasphaerichthys ocellatus word
ongeveer 30 mm lang. Ofschoon mijn vissen met 17 mm halfwas zouden
zijn, waren bij drie dieren eenduidig de grote, spits naar achteren
wijzende gonaden te erkennen, wat voor vele labyrintvissen typisch
is. Ik had duidelijk geslachtsrijpe vrouwtjes voor me! Na het
vergelijken van mijn exemplaren met afbeeldingen, en de mij meer
bekende foto van Foersch bemerkte ik, dat het niet zeker om Parasphaerichthys
ocellatus gaat, maar om een dwergachtige soort. Een korte
tijd later kwam de volgende verrassing. Drie van de overwegend
bruine vissen kleurde oranje met donkere vinnen en een donkerbruine
kop. Voor het diepgroene javamos een heerlijke aanblik. In het
aquarium hadden de drie mannen gelijk een gebied bezet en probeerde
een der vrouwen te lokken. Daarvoor hadden ze zich kompleet omgekleurd.
Ze vertoonde hoogstwaarschijnlijk hun baltskleuren. Dan wanneer
er twee elkaar tegenkomen, kleurde ze zich donkerbruin en discussieerde
over hun territoriumgrens. Terug in hun eigen gebied, laat de
aanwezigheid van een vrouwtje de mannen gelijk weer oranje kleuren.
Schuimnestbouwer.
De vrouwen waren in de gebeurtenissen niet geïnteresseerd,
maar ik des te meer. Wanneer labyrinten kuit aanzetten en baltsen,
leggen ze normaalgesproken ook eieren. Omdat een vrouwtje duidelijk
kuitaanzet had en bij het verschijnen van een man meteen zo schitterde,
verwachte ik dadelijke, dat de dieren afzette. Alle labyrinten
van Sphaerichthys zijn muilbroeders, meeste in het mannelijke
geslacht. Daarom nam ik aan, dat mijn Parasphaerichthys
ook zo zouden voortplanten. Dus, de volgende avond rijkelijk met
slootvoer gevoerd en de mannen controleren, op een broedsel, en
de dikke vrouwe zoeken en bekijken, of dat ze nog dik is. Niets
gebeurd. De mannen baltste en de vrouw werd hoe langer hoe dikker,
tot ze aan kuitverharding stierf. Een vriend raadde me aan het
een keer met zacht water te proberen. Een andere vriend had me
zijn osmose apparaat uitgeleend. En zo volgde, emmer voor emmer,
een week lang het zover schoongemaakte aquarium met osmose water
gevuld werd. Wat javamos, een paar steenplaten, twee handel vol
gekookte eikenblad uit mijn waterton en een luchtsteentje volmaakte
de inrichting. Drie dagen laten lopen, En ik zette de Parasphaerichthys
terug. Dan hoorde ik, dat deze soort bij een andere aquariaan
en zacht en zuur water snel gestorven is. Dus nam ik me voor,
de vissen in zacht water te doen, maar de pH niet onder de 7 te
brengen. Een ander vrouwtje nam in buikpartij toe en liet het
mannetje glinsteren. Na een paar dagen kom ik bekijken, hoe dit
vrouwtje snel eenkleurig donkerbruin omkleurde. Ze hield zich
dicht in de buurt van een mannetje op. Dan zwom het vrouwtje weer
snel weg, toen drukte hij tegen haar buik aan en zwom vlug met
een pendelende beweging naar de bodem. Zo lukte het, het vrouwtje
onder een eikenblad te lokken. Maar ergens schijnt het niet te
slagen. Meestal verdwijnt het mannetje zo snel, dat het vrouwtje
niet weet waarheen, of ze kwamen beide binnen de minuut weer tevoorschijn.
Urenlang zat ik voor het aquarium, en niets gebeurde. De volgende
avond was er geen oranje gekleurde man, en het vrouwtje had duidelijk
massa verloren. Ze had ongetwijfeld afgezet, maar geen van de
mannen had een dikke keel. Wat was er gebeurd?
| |
|
|
| |
Het
schuimnest van Parasphaerichthys lineatus
|
|
Toen
ik deze Parasphaerichthys in het aquarium gezet had, had
ik het buitenfilter afgezet, om het voer niet op te zuigen. De
filterslang had ik natuurlijk niet verwijderd, en de uitstromer
kwam kort onder het wateroppervlakte uit. Het mannetje, dat op
de vooravond met het vrouwtje gebaltst had, was ongewoon onverdraagzaam
tegenover de andere dieren en schoot regelmatig in de filterslang.
Snel was de bak afgedekt en de filterslang over een fijn schepnet
gelegd. Voor de dag kwam een schuimnest met ongeveer 70 mooie
witte eieren, die duidelijk goed waren. De eieren ontwikkelde
zich in een petrischaal, en de larven kwamen vrij na drie dagen
met 25 graden. Ze waren ongeveer drie mm lang hingen met hun koppen
omhoog. Na twee dagen hadden ze hun dooiervoorraad opgebruikt
en deden zich tegoed aan infusoriën. Deze vermeerderen zich
door middel van wat stro in een bak met aquariumwater te hangen.
Na tien dagen waren ze zover dat ze vers gekweekte Artemia
pakte, en ze dat bij de verdere opkweek verslinde.
Kuit
gedrag.
Toen drie dagen verder legde het tweede vrouwtje, en weer een
week verder het eerste vrouwtje weer. Het bleek al snel, dat de
vrouwen ongeveer elke vijf tot tien dagen afzetten. De mannen
bouwen hun nest in gebladerte, dat op de bodem licht, of plakt
het vast aan schuinstaande steenplaten, die tegen een aquariumwand
steunen. Het afzetten kon ik niet waarnemen. Interessant genoeg
baltsen de dieren altijd tegen de bodem, zo dat waarschijnlijk
de man het legsel naar het schuimnest brengt. Ralf Britz kon tweemaal
het afzetten 's avonds waarnemen, en beschrijft dat als volgt:
De eieren liggen op de bodem, meestal neemt de man ze in de muil,
zwemt onder een filterspons en stopt ze diep in de poriën
en groeven van het filter. De vrouw komt hier ook af en toe bij.
Bij deze afzetting schijnt ze niet bij het transport te helpen.Daarna
heb ik ook de afzetting gezien. Vooraf en nadien zijn er verschillende
schijnafzettingen, die op dezelfde manier gaan als bij de daadwerkelijke
eiafzetting. Bij mij was altijd het vrouwtje wat aandrong, misschien
omdat ze vol eieren zat, die ze zo snel mogelijk kwijt wilde.
Het was ook het vrouwtje, dat andere soortgenoten van de afzetplaats
verdrijft.
| |
|
|
| |
Een
Parasphaerichthys lineatus jong
|
|
Het
afzetten gebeurde in een gereduceerde omstrengeling, zoals die
ook bij Sphaerichthys en Luciocephalus beschreven
worden. De vrouw is tijdens de afzetting niet omgedraaid en blijft
in een kompleet normale houding. Ze draait zich dus in de opgedraaide
lichaam van het mannetje naar binnen, zo dat ze met zijn tweeën
de vereiste U vormen. De eieren (en zo ook de sperma) worden in
deze houding afgegeven liggen dan op de bodem op een hoopje. Beide
ouderdieren zwemmen daarna na het oppervlakte om lucht te happen.
Ik heb deze mogelijkheid benut om de eieren op te zuigen en nader
te onderzoeken. Het waren totaal 42 stuks, met een doorsnede van
1,1 tot 1,3 mm. Ze waren niet exact rond, maar een beetje ovaal.
De tweede maal kwam ik net te laat. De dieren hadden al afgezet,
en het nest was al onder een steen boven de bodem geplaatst. Daarvoor
werden de eieren door het mannetje en vrouwtje gedragen, en met
bellen en speeksel omgeven en aan de steen geplakt. Een van de
volgende broedsels liet ik bij het mannetje. Hij nam de larven
niet in de bek, en verlaten na het vrijzwemmen het nest. Enige
jonge dieren overleven het ook in het kweekaquarium. Zodoende
ontdekte ik verschillende leeftijdsgroepen in het javamos. Ze
groeien relatief snel, en na vier maanden zijn ze ongeveer zo
groot als de ouders. Bovendien schijnt de soort kort te leven,
want een van de vrouwtjes krijgt al tekeningen van de ouderdom.
Daarmee is deze Parasphaerichthys voor mij de opmerkelijkste
vis van het jaar 2001. Het handelt hier hoogwaarschijnlijk om
een onbeschreven soort, die met nog geen twee centimeter knap
klein blijft. Het is de enige bekende vertegenwoordiger van de
groep de een schuimnest bouwt, en kan daarmee aan de basis van
deze labyrintvisgroep staan. Zodoende is hij in hard en zacht
water te houden, heeft geen problemen met wekenlang droogvoeder
en laat zich tenminste in zacht water nakweken. Met zijn schitterende
kleur en de interessante, snelle kleurveranderingen is het een
aansprekende aquariumvis. Men kan de soort ook met andere vredelievende
dwergvissen houden. Zeker laten de dieren zich in kleine aquaria
verzorgen en misschien ook in hart water kweken. En ze leven niet
zolang - 1 jaar hooguit - zodat men met zijn ontwikkeling en kweek
haast heeft. Wanneer het niet veranderd en ontwikkeld, is het
ook niet zo spannend. Wat wil men meer?
|