|
Ruim
25 jaar geleden zag ik voor het eerst een foto van de chocoladegoerami.
Ik was een beginnend liefhebber van labyrintvissen en het dier
liet me niet meer los. Pas een paar jaar later kreeg ik deze Aziatische
schoonheid voor het eerst in mijn bezit. Na jarenlang experimenteren
slaagde ik erin dit mysterieuze visje tot voortplanting te brengen.
Een kwestie van passie, de juiste dingen doen en een tikkeltje
geluk.
Wie
onder aquarianen de chocoladegoerami ter sprake brengt, ziet negen
van de tien keer de gezichten betrekken. Het dier staat bekend
als 'moeilijk' en raakt dat stigma niet gauw meer kwijt. Zodra
je over kweken begint worden de blikken zelfs meewarig. Of er
wordt schaamteloos opgeschept over geslaagde kweekpogingen die
zich - gek genoeg - altijd in een ver verleden hebben afgespeeld.
Wat me daarbij opvalt is dat die mensen zich niet gestoord voelen
door hun gebrek aan kennis over dit interessante dier. Zo wordt
hij nog steeds door velen voor een schuimnestbouwer gehouden,
terwijl het onbetwistbaar een muilbroeder is. Daarom eerst de
feiten een rij.
Waar
komt ie vandaan?
De chocoladegoerami heet officieel Sphaerichtys osphromenoides
en behoort tot de familie der labyrintvissen (Anabantidae). Het
was Canestrini die hem (in 1860) voor het eerst beschreef. Hij
komt voor op het Maleisisch schiereiland en op het voormalige
Borneo (Kalimantan) en Sumatra, waar hij in ondiepe poelen zou
leven (ik ben er zelf nooit geweest). Er schijnen het gehele jaar
zacht-zure waterwaarden te heersen. Het visje bereikt een maximale
lengte van 6,5 centimeter en voedt zich waarschijnlijk met muggelarven
en aangevlogen kleine land-insecten. Het is een rustig en vreedzaam
dier dat - als het zich goed voelt - wondermooi kan kleuren. De
goudgele dwarsbanden tegen de diep-donkerbruine ondergrond kunnen
een bijna betoverend effect hebben.
Hij
kan slecht tegen verandering
In de winkel zien ze er echter zelden zo mooi uit. De chocoladegoerami
kan namelijk slecht tegen verandering van leefomgeving. Het vervoer
en overwennen leidt vaak tot ziektes, waarvan stip de grootste
boosdoener is. De meeste handelaren zien om die reden weinig brood
in dit 'product', en wie ze graag wil hebben zal vaak verschillende
handelaren moeten afbellen. Zijn ze eenmaal gewend, dan blijken
het taaie dieren te zijn. Zoals bij veel vissen is de levensduur
niet bekend; zelf heb ik ze nooit langer dan drie jaar kunnen
houden.
Hou
ze in een groepje
In zijn boek 'Vissen kweken? Geen probleem!' (1981) zegt de bekende
kweker, auteur en fotograaf Hans Joachim Richter dat de verzorging
van deze vis niet moeilijker is dan die van andere labyrinten.
Dat is echter maar gedeeltelijk waar. Zoals ik al zei kan de verandering
van leefomgeving voor de vissen problematisch verlopen en ondanks
snel en adequaat handelen vallen er kort na de aankoop vaak dodelijke
slachtoffers. Hoewel in veel boeken wordt gehamerd op zuur water,
kan de chocoladegoerami het beste op leidingwater worden gehouden,
dat niet harder is dan GH 5/6 en een pH heeft van rond de 7. Voor
de kweek gebruiken we water met een pH van minstens 6. Hoewel
hij geen scholenvis is, voelt de chocoladegoerami zich het beste
in een groepje. Zelf houd ik er bij voorkeur acht à tien
in een aquarium van tachtig centimeter of in een meterbak. Een
groter aantal verhoogt bovendien de kans dat er een goed kweekstel
tussenzit. Enig 'vreemd' gezelschap kan geen kwaad; ik heb ze
vaak samen gehouden onder andere de kleine knorgoerami (Trichopsis
pumilus), Parosphronemus deissneri, Colisa chuna
en Crenicara filamentosa.
De
menukaart: matig voeren is van levensbelang
Hoogwaardig en gevarieerd voedsel is één van de
belangrijkste voorwaarden om chocoladegoerami te houden en te
kweken. Daarbij is matig voeren van levensbelang. Wie te veel
voert, zal weinig plezier van de vissen ondervinden. Lusteloosheid
viert hoogtij en een geslaagde paring kun je vergeten. Bovendien
schijnen ze snel te vervetten, waardoor de levensduur wordt verkort.
Op de menukaart staan drie gerechten: witte muggelarven, zwarte
muggelarven en fruitvliegen. In de winter krijgen de vissen ook
wel volwassen Cyclops - waar ze dol op zijn- en enigszins
opgekweekte pekelkreeftjes (Artemia). Het voeren gebeurt
bij voorkeur 's morgens. Als de balts serieuze vormen gaat aannemen,
is het goed de maaltijd een dagje over te slaan om ze vervolgens
kort voor het afzetten rijkelijk te voeren.
De
leefomgeving
De chocoladegoerami houdt niet van veel licht (welke vis wel,
trouwens?), heeft open zwemruimte nodig, maar heeft ook behoefte
aan dichtbeplante plekken waar ie zich even kan terug trekken.
Ik beplant mijn bakken meestal met vaantjesplanten of eikenbladvaren,
Cabomba of hoornblad, Cryptocorine becketti, Java-mos,
Belgisch groen, een amazone zwaardplant en wat lage voorgrondbeplanting.
De bodem is bij voorkeur donker, evenals de achter- en zijwanden.
Ik filter altijd over actieve turf waardoor het water al gauw
mooi bruin kleurt. Door het filter niet tot aan de nok met turf
vol te proppen en tweewekelijks tien tot vijftien procent water
te vervangen, zakt de pH meestal niet al te ver onder de 6,5 à
7. Een stuk kienhout waar de visjes omheen en tussendoor kunnen
scharrelen wordt zeer op prijs gesteld; zowel door de vissen als
door de verzorger, want ze kunnen prachtig afsteken tegen zo'n
donkerbruin stuk wortelhout. De temperatuur bedraagt plusminus
24 graden Celsius. De hoge temperaturen waar in de meeste boeken
op wordt gehamerd zijn beslist niet goed voor de vissen. Ze worden
er hangerig van en schijnen minder lang te leven.
Op
weg naar het ouderschap
Zonder de lezer te willen ontmoedigen gebiedt de eerlijkheid te
zeggen dat het kweken van chocoladegoerami's uiterst moeilijk
is. In de vele jaren dat ik - met de nodige onderbrekingen - deze
vissen heb trachten te kweken, mocht ik zo'n twintig afzettingen
meemaken. De eerste keer (in 1981) speelde zich in het gezelschapsaquarium
een hevige territoriumstrijd af die voornamelijk door het mannetje
werd gevoerd. Met een voor deze soort ongekend fanatisme hield
hij de overige bewoners op afstand. Een dergelijk fel gedrag heb
ik bij latere paringen nooit meer gezien. Het mannetje is overigens
te herkennen aan de strakke, rechte keellijn, waardoor de kop
een spitsere indruk maakt dan die van het vrouwtje. Hij oogt daardoor
wat 'gestroomlijnder'.
De vrouwelijke chocoladegoerami broedt de eieren uit en heeft
door haar geplooide keelzak een enigszins gewelfde keellijn. Een
ander geslachtskenmerk is de kleur, die vooral tijdens de balts
goed uit de verf komt. Het vrouwtje is dan helderbruin en draagt
fel gouden, bijna 'verlichte' dwarsbanden. De man neigt eerder
naar grijsbruin met ietwat vervaagde dwarsstrepen. Een witgerande
aarsvin zou ook op een mannetje wijzen (Richter). Sommige exemplaren
hebben een beetje rood in de staartvin. Het is niet duidelijk
of dit zou een plaatsgebonden kenmerk, of een individuele karakteristiek
is.
De
afzetting
Omdat chocoladegoerami's het liefst in een groepje leven, voelt
een afgezonderd stelletje in een kweekbak zich niet gauw op zijn
gemak. Veruit de meeste afzettingen vonden bij mij dan ook plaats
in het gezelschapsaquarium. Na pal boven de bodem en op een beschutte
plaats eindeloos rondjes om elkaar te hebben gedraaid, komt het
na een aantal dagen (tot een week) tot een afzetting. Tijdens
de paring omklemt het mannetje het wijfje lichtjes, waarna de
(grote) eieren worden uitgestoten. Zodra de dieren een kortstondig
moment van verdoving te boven zijn, begint het inzamelen van de
eieren. Daarbij helpt de man een handje door de eieren voor de
bek van het vrouwtje uit te spugen. Met uitgezette kieuwen hergroepeert
zij tussendoor haar kuit. Na het verzamelen van het potentiële
kroost, verblijft de moeder in spe aan de waterspiegel waar ze
veelvuldig lucht hapt en de eieren hergroepeert. Eten doet (en
kan) ze nu niet meer. De heer des huizes laat vrouw en kuit voor
wat ze zijn. De broedperiode bedraagt zo'n veertien dagen, maar
bij mij liet het vrouwtje haar eieren rond de derde broeddag schieten,
omdat het kuit beschimmeld was. Op een avond sprak ik de heer
Arend van den Nieuwenhuizen en vroeg hem wat de oorzaak kon zijn
van dit vroegtijdig loslaten van de eieren. Hij adviseerde mij
de dieren in zuurder water te laten afzetten dan de pH 7 waarin
de dieren bij mij tot paring overgingen. Door een te hoge pH kregen
de eieren de kans om te beschimmelen.
De
vijfde keer was het raak!
In de nazomer van 1994 kocht ik bij 'Molliniesia' in Amsterdam
een zestal prachtige chocoladegoerami's, in lengte variërend
van 4 tot 5,5 centimeter. Een paar weken later trof ik in een
andere winkel nog eens twee exemplaren aan. Tussen medio oktober
en begin november vonden er maar liefst vijf afzettingen plaats,
waarbij de eerste vier broedsels al op de tweede of derde dag
werden losgelaten. Dit terwijl de pH tussen de 6 en 6,3 lag. Maar
de vijfde keer was het raak! Eindelijk had een van de mannetjes
belangstelling getoond voor een vrouwtje dat zeer fanatiek baltste,
maar aanvankelijk geen poot aan de grond kreeg bij de heren, die
uitsluitend oog hadden voor het andere vrouwtje dat inmiddels
al vier legsels had laten schieten. Dat brengt mij op de rolverdeling
tussen de beide geslachten waarin de vrouw duidelijk het initiatief
heeft, maar lang niet bij elke man in de gunst valt. Na enige
tijd vormen zich min of meer vaste paartjes, hoewel er geen sprake
is van monogamie. Omdat ik het gezelschapsaquarium aan de drukke
kant vond en de partners vol overgave met elkaar in de weer waren,
durfde ik het aan het stel in een kweekbak (50x30x30, pH 6,0,
GH 4, KH 1,0, temperatuur 25 graden) over te zetten. Nog diezelfde
avond vond de afzetting plaats. Overigens gebeuren serieuze baltspartijen
en afzettingen altijd in de avonduren. Verder is mij opgevallen
dat het liefdesspel zich beperkt tot de herfst en de wintermaanden.
Of er een verband durf ik niet te zeggen, maar in hun vaderland
is het dan zomer.
En
daar waren de jongen
Vijftien dagen later, op 17 november 1994, begon de 'bevalling'.
Door vanaf de tiende broeddag dagelijks tien procent van het water
te vervangen, had ik de zuurgraad naar een pH van 7 gebracht.
Dit om te voorkomen dat de voedseldieren zouden afsterven. Op
de eerste dag werden vijf jongen losgelaten. Dit gebeurt zo krachtig
dat we rustig van een lancering kunnen spreken. De pasgeboren
'choco's' tuimelden wat beduusd door het waterruim, 'schudden'
zich vervolgens 'uit', waarna ze een veilig heenkomen zochten
tussen de slingers hoornbad aan de waterspiegel. Daar waren ze
de eerste uren 'bezig' met op adem komen. Na een jong te hebben
losgelaten, snelde de moeder weer terug naar haar schuilplaats,
onder een stuk kienhout op de bodem. Het uitspugen van de jongen
kreeg pas de volgende dag een vervolg. Ruim 24 uur later, op 18
november om 22:00 uur, waren alle jongen 'gelost' Het waren er
negentien in het totaal. De gemiddelde lichaamslengte bedroeg
0,4 centimeter. Ze oogden als kleine snoekjes en droegen al enigszins
het kleed van de ouderdieren. De basiskleur was al bruin, de dwarsband
nog transparant. De kopjes waren goudbruin en liepen enigszins
breed uit. Nadat alle jongen vrij waren, heb ik het vrouwtje in
het gezelschapsaquarium teruggezet, want van broedzorg na de geboorte
is bij deze vissen geen sprake.
Overlevingskans
Toen de moeder op haar laatste dagen liep, heb ik de heer Van
den Nieuwenhuizen gebeld en hem gevraagd hoe ik de overlevingskans
van de jongen zo groot mogelijk kon maken. Uit de literatuur wist
ik dat het vaak voorkomt dat de jongen binnen een week het leven
laten. Van den Nieuwenhuizen adviseerde mij de eerste dag Liquifry
(rood) te voeren en de volgende dag over te schakelen op Artemia.
Na een week ben ik gezeefde Cyclops en watervlooien gaan
bijvoeren. Ook verving ik tweemaal daags tien procent van het
water door gekookt leidingwater. Een intensieve kraamklus. Het
ontbrak er nog maar dat er luiers verschoond moesten worden.
Ze
gaan het redden
Na tien dagen bekroop mij het gelukzalige gevoel dat de bewoners
van de kraamkamer het ging redden. De jongen waren op dat moment
een centimeter lang en de groei zat er dus goed in. In deze periode
beginnen de rug- en aarsvinnnen zich te ontwikkelen waardoor de
hoge lichaamsvorm van de volwassen dieren zichtbaar wordt. Het
is een prachtig gezicht om ze op de pekelkreeftjes te zien jagen.
Ze zeilen als het ware op hun prooi af en zodra ze dicht genoeg
genaderd zijn, slaan ze toe. Van een klopjacht is geen sprake.
Happen ze mis, dan wachten ze gewoon een volgend slachtoffer af.
Je zou ze gerust een beetje gemakzuchtig kunnen noemen. Op 8 december
zag ik de eerste dieren lucht happen aan de waterspiegel, hetgeen
erop wees dat het labyrint zich had ontwikkeld. De gemiddelde
lichaamslengte bedroeg op dat moment 1,5 centimeter. Zo nu en
dan vonden er kleine schermutselingen plaats tussen de jongen.
Een maand na de geboorte zien ze er precies zo uit als de ouders;
de tekening is tot in het detail aanwezig. Ik voerde ze jonge
haftelarven, pekelkreeftjes, Cyclops en watervlooien.
Witte
stip
Een witte-stip-epidemie heeft mij na drie maanden een fiks aantal
jongen gekost. Ondanks alle maatregelen hield ik er uiteindelijk
(na ook nog getroffen te zijn door een gevalletje waterschimmel)
maar twee over die ik wegens een verhuizing in het aquarium van
mijn vader had ondergebracht. Het bleken een mannetje en een vrouwtje
te zijn. De dieren waren nu een kleine drie centimeter lang (chocoladegoerami's
groeien dus bijzonder langzaam). In juni van dit jaar had het
(nakweek) vrouwtje een bescheiden hoeveelheid eieren in de bek.
Die werden overigens na een paar dagen weer losgelaten. De vraag
is of dit feit mijn vermoeden over een paartijd in de winter logenstraft.
Alle plusminus twintig afzettingen vonden immers in het koude
seizoen plaats. Misschien dat de afzetting buiten het seizoen
plaatshad omdat het nakweekdieren waren, die geen band meer hebben
met hun vaderland?
De
laatste der Mohikanen
Begin augustus is het vrouwtje gestorven (oorzaak onbekend) zodat
ik nu nog slechts één nakweekexemplaar over heb.
Deze laatste der Mohikanen is vier centimeter lang. Binnenkort
ga ik weer op jacht naar nieuwe chocoladegoerami's en probeer
dan alle kennis over dit dier in een nieuwe kweekpoging te gebruiken.
Ik hoop dat de nakweekman daarbij een rol kan spelen. Maar of
het me weer lukt, is onzeker. Uiteindelijk maakt de natuur zelf
uit of er nakomelingen komen. Het enige wat wij kunnen doen is
ervoor zorgen dat de omstandigheden zo optimaal mogelijk zijn.
Toch hoop ik ooit nog eens zoiets als een 'kweekrecept' te kunnen
opstellen. Want voldoende nakweek zou een hoop sterfgevallen tijdens
de reis, in de winkel en bij de liefhebber thuis kunnen voorkomen.
Bovendien betekent een geslaagde kweek met chocoladegoerami's
met volle teugen genieten. En was het daar in onze liefhebberij
niet om begonnen?
Tekst:
©
Henk
Grundmeijer
(Dit
artikel is in december 1996 gepubliceerd in NBAT-blad Het Aquarium)
|